De Pruisische koning Frederik de Grote heeft de uit de Andes afkomstige aardappel in Duitsland zo populair gemaakt als in bijna geen enkel ander land ter wereld. Zo populair, dat de knol sinds de 18e eeuw op geen menukaart meer ontbreekt. Van Flensburg tot Füssen strekt zich een bont culinair aardappelveld uit.
Van peren, bonen en spek houden de mensen in Sleeswijk-Holstein. Maar zonder gekookte aardappels is dit gerecht even ondenkbaar als de Pichelsteiner Eintopf (stoofpot) met drie soorten vlees uit het Beierse Woud. Hele generaties van koks hebben alleen al de aardappelsoep verfijnd. In Berlijn wordt hij met spek en pittige worst geserveerd, in de Palts met selderij en room.
Een maaltijd op zichzelf is de aardappelkoek met spek uit het Sauerland. Of de overal verkrijgbare aardappelsalade, gegarneerd met een paar Frankforter worstjes. In het Rijnland eet men de salade koud met mayonaise, in Baden-Württemberg lauwwarm met azijn en uitjes.
De eigenlijke bestemming voor de wonderknol is echter weggelegd in de vorm van het onmisbare bijgerecht. Je vindt ze, wisselend gekruid, als aardappelpannenkoekjes en gebakken aardappels, gekookt en gepoft, als gratin en in de stoofpot en sinds kort ook in folie. In de schil gekookt smaakt de aardappel echter wellicht het lekkerst. Met peper, zout en kwark is het een waar genot. Met een beetje zure room en Noordzeegarnalen - een droom!
Ter ere van de aardappel worden in talrijke streken van Duitsland feesten gevierd. In het Jerichower Land heb je bijvoorbeeld het aardappelfeest. In het hele Odenwald leggen de koks tijdens de Odenwälder aardappelweken creativiteit en vakmanschap aan de dag. Ook in de kustgebieden, in Stade in het Alte Land - worden aardappeldagen gevierd.
Men kan de aardappel niet genoeg lof toezwaaien. Daarom hebben de Keulenaren de aardappel met appels en gebakken bloedworst tot een goddelijk gerecht verenigd. Zijn naam: 'Himmel und Äd' - Hemel en Aarde!
